Home » Ontheemd, vreemd en minderjarig

Ontheemd, vreemd en minderjarig

€40.00

Het recht op ontwikkeling van de alleenstaande minderjarige vreemdeling in (inter)nationale wet- en regelgeving
Cardol, Goos
Pages: 500 pages
Shipping Weight: 1000 gram
Published: 07-2005
Publisher: WLP
Language: NL
ISBN (softcover) : 9789058501110

Product Description

Aan het eind van de jaren negentig kwamen er steeds meer alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMAs) naar Nederland. Op grond van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind, waaraan ook Nederland is gebonden, moeten deze jeugdige vluchtelingen in staat worden gesteld zich adequaat te kunnen ontwikkelen. Daarvoor zijn (bijzondere) voorzieningen nodig. Dat wordt echter door het vreemdelingenbeleid niet waargemaakt, stelt Goos Cardol in zijn proefschrift.

De helft van alle vluchtelingen die over de wereld zwerven is kind of adolescent. Geschat wordt dat van de totale groep vluchtelingenkinderen twee à vijf procent niet wordt begeleid door de ouder of wettelijke vertegenwoordiger. Ook Nederland heeft te maken (gehad) met deze vreemdelingen. Dat betrof Hongaarse kinderen (rond de Eerste Wereldoorlog), joodse kinderen (Tweede Wereldoorlog) en later kinderen die de oorlogen in Korea en Vietnam waren ontvlucht. Op dit moment komen alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama`s) vooral uit Angola (29 procent), Sierra Leone, Guinee, China, Afghanistan en Somalië. Hun aantal neemt de laatste jaren wel weer wat af: in het piekjaar 2000 zochten 6.700 ama`s hun toevlucht tot Nederland (vijftien procent van het totale aantal vluchtelingen), in 2003 waren dat er nog 1.200 (negen procent). Eén ding hebben deze minderjarigen gemeen: ze moeten in staat worden gesteld zich adequaat te kunnen ontwikkelen, hetgeen is neergelegd als belangrijk recht in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Maar maakt Nederland dat wel waar?
Cardol concludeert dat het recht op ontwikkeling niet de eerste overweging is geweest bij het vormgeven van het Nederlandse vreemdelingenbeleid. Dat heeft tot gevolg gehad dat de minderjarige niet in eerste instantie wordt benaderd als minderjarige met recht op bescherming, maar dat de minderjarige vooral wordt gezien als vreemdeling, veelal een vreemdeling met oneigenlijke vluchtmotieven. Pas in tweede instantie is er aandacht voor de persoon van de minderjarige.

Volgens Cardol zou niet de definitie van het Vluchtelingenverdrag bepalend moeten zijn voor de toelating van de alleenstaande minderjarige vreemdelingen, maar beoordeeld zou moeten worden in hoeverre de schending van een of meer mensenrechten moet leiden tot het al dan niet verlenen van een verblijfsstatus. Daarmee wordt alleenstaande minderjarige vreemdelingen meer recht gedaan en kan beter rekening worden gehouden met de leeftijd en de ontwikkeling van de alleenstaande minderjarige vreemdeling. Met de huidige regelgeving moeten alleenstaande minderjarige vreemdelingen een volwassen prestatie leveren onder condities die zijn toegesneden op volwassenen en onvoldoende rekening houden met het aspect van minderjarigheid.

Ook stelt Cardol dat het Nederlandse ama-beleid en het beleid ten aanzien van illegaal in Nederland verblijvende alleenstaande minderjarigen moeten worden aangepast, wil dit beleid in voldoende mate tegemoet komen aan de ontwikkelingsbehoeften van alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

Mr. Goos Cardol (1954, Kaatsheuvel) studeerde tussen 1989 en 1998 Nederlands recht aan de Open Universiteit Nederland. In 2002 startte hij met zijn promotieonderzoek. Sinds 1992 werkt Cardol bij de Raad voor de Kinderbescherming; momenteel als stafjurist op het hoofdkantoor. Ook doceert hij het vak jeugdrecht aan de Fontys Hogescholen te Tilburg. Tussen 1978 en 1992 was hij in verschillende functies werkzaam in de jeugdhulpverlening. Cardol is ook redactielid van het Tijdschrift Rechten voor het Kind.