Home » waterboek

’s-Hertogenbosch, eiland in een onmetelijke zee

Omgangsstrategieën van de stedelijke overheid en de bevolking van ’s-Hertogenbosch
met hoogwater en overstromingen (1740-1995)

Francien van den Heuvel

ISBN: 978-94-6240-694-0 (koffietafelboek)

ISBN: 978-94-6240-695-7 (e-version vanaf 1 september)

 

Al sinds de stichting van ‘s-Hertogenbosch in 1185 worstelde de stad met haar waterveiligheid. Dit werd onder meer veroorzaakt door haar ligging aan een knooppunt van waterwegen waar de riviertjes Aa en Dommel uitmondden in de Dieze die vervolgens afwaterde in de Maas. Maar de Maas kampte vaak met een hoge waterstand waardoor afwatering niet mogelijk was. Integendeel!! Ingeval van hoge waterstand loosde de Maas ook water over land via de zogenaamde Beerse Overlaat. Deze groene rivier begon zo’n veertig kilometer oostwaarts tussen Cuijk en Beers waar stukken oevers van de Maas onbedijkt waren gelaten. Hij strekte zich uit tot aan ’s-Hertogenbosch en indien afwatering in de Dieze onmogelijk was zelfs tot aan de Langstraat. Uit het feit dat er veel water richting deze stad stroomde, valt al op te maken dat de stad relatief laag gelegen was. Geologische en geografische factoren speelden dan ook een rol in de situatie. Daarnaast maakte ’s-Hertogenbosch als vestingstad onderdeel uit van de Zuiderwaterlinie waardoor het militaire belang meerdere malen een inundatie van het gebied rondom de stad vereiste. Ook wogen de defensieve belangen bij het nemen van preventieve maatregelen op het gebied van bescherming tegen het water vaak zwaarder dan het algemene belang van de bevolking. Dit kwam de bescherming tegen het water niet altijd ten goede.

 

In een tijdvak van 1740 – 1995 werden ’s-Hertogenbosch en omgeving 81 keer getroffen door grote en kleine overstromingen. Zestien keer is er sprake van een ‘ramp’. 

Dit onderzoek gaat dan ook uit van de vraag hoe de stedelijke overheid en de bevolking van ’s-Hertogenbosch omgingen met het steeds terugkerende hoog water in de periode 1740 – 1995? Hoe verliep de hulpverlening, werden er preventieve maatregelen genomen en kregen herinneringen aan  overstromingen vorm en zo ja op welke wijze?

 

Uit het onderzoek bleek dat in de achttiende eeuw de hulpverlening vooral lokaal georganiseerd was, gecoördineerd door het stadsbestuur. De stedelijke instellingen regelden dan de daadwerkelijke hulp. Vanaf de negentiende eeuw trad een schaalvergroting op. De coördinatie van de hulpverlening geschiedde voortaan door een provinciale watersnoodcommissie, die voor de uitvoering ondersteund werd door plaatselijke commissies. Hoewel stedelijke instellingen zich bleven belasten met hulpverlening kwamen er vanaf de negentiende eeuw ook nieuwe spelers in het veld zoals de Heilige Vincentiusvereniging van Paulo, het Nederlandse Rode Kruis, het Oranjekruis en het Rooms-Katholiek Huisvestingscomité.  

Op het gebied van preventie nam de stad ’s-Hertogenbosch die maatregelen die binnen haar bevoegdheid viel. Maar door de complexiteit van het watersysteem en de organisatie ervan was het voor ’s-Hertogenbosch onhaalbaar om de waterstaatkundige toestand in zijn totaliteit aan te pakken. Door het besluit van het stadsbestuur in 1880 om de stad middels een stoomgemaal droog te malen en er zo een polder van te maken, werd de lokale overlast weliswaar flink beperkt maar voor de directe omgeving van de stad was dit absoluut onvoldoende. Stad, waterschappen en provincie trokken daarom ook vaak  gezamenlijk op om het landsbestuur te overtuigen van de noodzaak tot besluitvorming en uitvoering van grootschalige maatregelen zoals de verlegging van de Maasmond die in 1904 beslag kreeg en de normalisatie van de Maas in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Na de hoogwaterperiodes van 1993 en 1995 groeide het inzicht bij bestuurders en waterbeheerders dat het beteugelen van rivierwater nu een belangrijke oorzaak werd van de wateroverlast. De rivier  moest voortaan ruimte krijgen. Een paradigmawijziging die geconcretiseerd werd  in het Deltaplan Ruimte voor de Rivieren.

 

De overstromingen leidden ook tot een breed scala aan herinneringsuitingen; herdenkingsboeken, proza, poëzie, liederen, prenten en later ook foto’s, films en radio- en televisie-uitzendingen. Sporadisch werden ook merktekens, die de hoogte van de waterstand toonden,  aangebracht in de openbare of privéruimte. Een deel van de verkoopopbrengst van herinneringsuitingen was vaak bestemd voor financiering van de hulpverlening.

Beschouwen wij de preventieve maatregelen op waterstaatkundig gebied dan kan gesteld worden dat deze niet altijd het beoogde doel bereikten. Zo besloot men in 1766 wel tot aanleg van de Baardwijkse Overlaat maar een  passend onderhoud van dit gebied werd niet altijd doeltreffend uitgevoerd. De belangen van de diverse partijen sloten niet altijd op elkaar aan zoals in dit geval het belang van het gewest Holland en dat van ’s-Hertogenbosch. Echter na de oprichting van de nationale waterstaatsdienst in 1798 en de totstandkoming van het (Verenigd) Koninkrijk der Nederlanden groeiden er langzaamaan nieuwe inzichten op waterstaatkundig gebied. Met de komst van een nieuwe generatie waterstaatsingenieurs rond 1850, onder wie Ferrand en Van der Kun, werden de problemen van de grote rivieren stapsgewijs en systematisch aangepakt. De grote rivieren kregen ieder hun eigen uitmonding in zee en de open verbindingen tussen Maas en Waal werden opgeheven. Echter het effect van deze aanpassing was stroomopwaarts aanzienlijk kleiner dan van te voren verwacht. Na nieuwe overstromingen van de Maas in 1920 en 1926 werd daarom besloten tot kanalisatie van de Maas tussen Grave en Lith. Een onderdeel van deze besluitvorming was echter wel dat er vanuit Noord-Brabant tweemaal een financiële bijdrage moest worden ingebracht, drie miljoen gulden voor de verlegging van de Maasmond en nog eens ƒ 500.000 voor de normalisatie van de Maas. Overigens bracht ook Gelderland ƒ 500.000 in voor dit laatste project. Elders in het land was dit niet het geval bij uitvoering van grootschalige waterstaatkundige werken.

Naast de waterstaatkundige verbeteringen aan de grote rivieren kwam er ook steeds meer aandacht voor aanpassingen aan de kleinere waterwegen, waaronder de Dommel en Aa. Provincie, waterschappen en gemeentes zochten de samenwerking op en namen hiervoor de initiatieven. Zij werden hiervoor min of meer gedwongen om de financiering te regelen voor nieuwe, technologische toepassingen zoals een stoomgemaal in de tweede helft van de negentiende eeuw. Uiteindelijk leidde dit tot een fusieproces waaruit steeds grotere waterschappen ontstonden. Anno 2020 zijn er nog slechts twee waterschappen actief in het onderzochte gebied, te weten Waterschap Aa en Maas en Waterschap de Dommel.

Met deze studie wordt een stuk waterstaatsgeschiedenis toegevoegd aan de al rijk beschreven historie van de stad ’s-Hertogenbosch. Voor zover bekend is het ook de eerste keer dat de lange termijn omgang met overstromingen  van een enkele stad in Nederland uitvoerig wordt beschreven.

De Flyer:

De inhoudsopgave:


Persbericht:

PERSBERICHT
Promotie: Historisch onderzoek naar watersnood in ‘s-Hertogenbosch

‘s-Hertogenbosch kreeg in de geschiedenis te maken met serieuze wateroverlast, zoals hoogwater, overstromingsrampen en ijsvloeden. Hoe verliep de hulpverlening in ’s-Hertogenbosch? En welke omgangstrategieën werden er ontwikkeld door landelijke, regionale en lokale overheid en de relevante waterschappen om de waterveiligheid te verbeteren? Ontstond er een herinneringscultuur en in welke uitingen kreeg deze gestalte? Francien van den Heuvel verdedigt op vrijdag 24 juni 2021 om 16.00 uur (online) haar proefschrift ‘’s-Hertogenbosch, eiland in een onmetelijke zee: Omgangsstrategieën van de stedelijke overheid en de bevolking van ’s-Hertogenbosch met hoogwater en overstromingen (1740-1995)’ aan de Open Universiteit in Heerlen.

Hulpverlening, omgangsstrategieën en herinneringscultuur

Uit het onderzoek van Francien van den Heuvel rijst het beeld op van ’s-Hertogenbosch als een kwetsbare en veerkrachtige stad. De stad wist zich te redden tijdens de grote watersnoden en bood zelfs hulp aan de omliggende dorpen. ‘s-Hertogenbosch nam maatregelen op het gebied van preventie en maakte afspraken met waterschappen rondom de stad. De oprichting van een nationale waterstaatsdienst in 1798, het inzicht in de complexiteit van waterbeheer van de grote rivieren en de technische mogelijkheden om de problematiek aan te pakken leidden onder meer tot de verlegging van de Maasmond, gerealiseerd in 1904, en de normalisatie van de Maas in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Daarnaast ontwikkelden, provincie, stad en waterschappen al dan niet gezamenlijk beleid om de waterveiligheid van de kleinere waterstromen te verhogen.  De watersnoden werden in tal van uitingen herdacht, bijvoorbeeld in herinneringsboeken, proza en poëzie, ansichtkaarten, radio- en televisieprogramma’s vanaf de twintigste eeuw maar ook merktekens in de openbare of privé ruimten. 

Interactie tussen natuur en cultuur

Het onderzoek van Francien van den Heuvel sluit aan bij nieuwe sub-disciplines in de internationale geschiedschrijving: ‘environmental history’ en ‘disaster history’. Deze sub-disciplines laten zien dat om contemporaine problemen te kunnen verklaren, inzichten uit andere wetenschapsdisciplines belangrijk zijn, zoals de ecologie, geografie en klimatologie. Door onderlinge verbanden te leggen in de interactie tussen natuur en cultuur, wordt het gevolg van menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden zichtbaar. Het onderzoek van Francien van den Heuvel sluit aan bij deze sub-disciplines en vormt tevens een aanvulling op de beschreven waterstaatsgeschiedenis van Nederland. De omgang van een stad met het steeds terugkerende hoogwater is niet eerder in beeld gebracht.

Promotie Francien van den Heuvel

Francien van den Heuvel (1956, ‘s-Hertogenbosch) promoveert aan de faculteit Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit. Francien van den Heuvel en haar echtgenoot Gerard Aarts zijn beiden door Z.M. de Koning onderscheiden tot lid in de orde van Oranje Nassau, vanwege het vele vrijwilligerswerk dat zij verzet hebben. De onderscheiding werd op 28 april 2021 aan beiden uitgereikt door de burgemeester van 's-Hertogenbosch.
Francien van den Heuvel verdedigt op vrijdag 24 juni 2021 om 16:00 uur (online) haar proefschrift ‘’s-Hertogenbosch, eiland in een onmetelijke zee: Omgangsstrategieën van de stedelijke overheid en de bevolking van ’s-Hertogenbosch met hoogwater en overstromingen (1740-1995)’ aan de Open Universiteit in Heerlen. Haar promotor is Prof. dr. L.H.M. Wessels, Open Universiteit. Co-promotor is Dr. A. Bosch, Open Universiteit. De promotie is live te volgen via www.ou.nl/live.

 

Noot voor de redactie

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de Persvoorlichting van de Open Universiteit, tel. 06-29042930. Algemene informatie over de Open Universiteit vindt u op www.ou.nl.